|
Moene Vukovic Advocaten - Mediators www.familierechtadvocaat.nl |
|
Kinderbeschermingsmaatregelen OTS en UHP
Bron o.a. www.justitie.nl Kinderen hebben recht op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid. Dit recht is opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind dat ook door Nederland is ondertekend. De ouders hebben de verantwoordelijkheid om dit recht te realiseren. Wanneer ze dit niet naar behoren doen, is het de plicht van het programmaministerie voor jeugd en gezin om maatregelen te nemen.
Om de ontwikkeling van een kind veilig te stellen kan de rechter een zogenoemde maatregel van kinderbescherming opleggen. Dit kan alleen als duidelijk is dat jeugdzorg in het vrijwillige kader niet mogelijk is, en de rechten van de minderjarige ernstig (dreigen te) worden geschonden.
De minst vergaande en meest voorkomende maatregel van kinderbescherming is ondertoezichtstelling. De reden van deze maatregel is dat een kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en de ouders er niet in slagen deze bedreiging af te wenden. De kinderrechter kan de ots uitspreken om hulp en steun te verlenen aan ouders en kinderen, om de band tussen ouders en kinderen te herstellen en om een betere opvoedingssituatie te creëren. De ouders houden het gezag over het kind, maar zij moeten over belangrijke beslissingen overleggen met een gezinsvoogdij-instelling (meestal een Bureau Jeugdzorg) die door de rechter is aangewezen. De ouders moeten bovendien de aanwijzingen van de gezinsvoogdijwerker opvolgen. Als het kind niet thuis kan blijven wonen, zoekt de gezinsvoogdijwerker een geschikte plaats voor het kind en vraagt dan aan de kinderrechter een machtiging om het kind tijdelijk uit huis te plaatsen. De rechter legt de ondertoezichtstelling op voor maximaal een jaar, maar kan deze desgevraagd verlengen. In principe blijft uw kind tijdens de ondertoezichtstelling gewoon thuis wonen. Maar het kan zijn dat het voor een kind of voor de ouders beter is dat hij (tijdelijk) ergens anders woont, bijvoorbeeld in een tehuis of pleeggezin. Als de gezinsvoogd een kind uit huis wil plaatsen, moet hij de rechter om een machtiging vragen. De rechter bekijkt of de uithuisplaatsing nodig is en bepaalt hoe lang die mag duren. De maximale periode van een uithuisplaatsing is één jaar. Als de gezinsvoogd vindt dat de uithuisplaatsing daarna verlengd moet worden, moet de rechter daar opnieuw toestemming voor geven. Wanneer de gezinsvoogd van plan is om de uithuisplaatsing (tussentijds) te beëindigen informeert hij de Raad. De Raad gaat op basis van de door de gezinsvoogd aangeleverde rapportage na of de redenen voor de uithuisplaatsing niet langer aanwezig zijn en de situatie van het kind thuis weer veilig is. Als de Raad het niet eens is met de beëindiging kan hij bij de rechter bepleiten dat de uithuisplaatsing nog enige tijd doorloopt. In het algemeen houdt een ouder tijdens de uithuisplaatsing contact met het kind. Maar de gezinsvoogd kan ook in het belang van het kind besluiten dat er geen contact mogelijk is.
Wanneer er nog te weinig informatie is om een ondertoezichtstelling te onderbouwen, maar het belang van het kind toch direct ingrijpen vereist, kan de rechter een kind voorlopig ondertoezicht stellen. De ouders houden daarbij het gezag over het kind, maar de rechter kan een machtiging tot uithuisplaatsing geven. De voorlopige ondertoezichtstelling duurt ten hoogste drie maanden. In deze periode onderzoekt de Raad voor de Kinderbescherming of een maatregel van kinderbescherming nodig is. Ontheffing ouderlijk gezag Als ouders ongeschikt of onmachtig zijn om hun plicht te vervullen hun kind te verzorgen en op te voeden, kan de rechter de ouders uit het ouderlijk gezag ontheffen. Een voogdij-instelling (meestal BJZ) krijgt dan het gezag over het kind. Het kind gaat meestal voor onbepaalde tijd naar een pleeggezin of een tehuis. De ouders hebben niets meer over hun kind te vertellen, maar als dit mogelijk is blijven ze wel bij de ontwikkeling van het kind betrokken.
Als ouders hun kind heel ernstig verwaarlozen of hun ouderschap misbruiken, kan de rechter hen uit het ouderlijk gezag ontzetten. Dit kan alleen als de ouders niet meewerken aan een oplossing voor de problemen van het kind. Bij ontzetting wordt het gezag meestal overgedragen aan een voogdij-instelling (BJZ) en wordt het kind uit huis geplaatst. In geval van ontheffing en ontzetting kunnen de ouders na verloop van tijd de rechter vragen om in hun gezag hersteld te worden. De Raad voor de Kinderbescherming kan dit ook aan de rechter voorstellen. Als de rechter ervan overtuigd is dat de ouders weer voor hun kind kunnen zorgen en dit in het belang van het kind is, zal hij hun het gezag teruggeven.
Voorlopige voogdij Bij crisissituaties kan de kinderrechter een kind, voorafgaand aan de ontzetting of ontheffing, onder voorlopige voogdij van een voogdij-instelling (meestal BJZ) plaatsen. Daarmee draagt de rechter het gezag over aan de instelling. Ook als het ouderlijk gezag geheel ontbreekt, kan hij een kind onder voorlopige voogdij plaatsen. Deze maatregel duurt zes weken of zolang de procedure voor een verdergaande maatregel nog niet is afgerond. Soms hoeft geen ontheffing of ontzetting uit het gezag te volgen, bijvoorbeeld wanneer de voorlopige voogdij nodig was om een noodzakelijke medische behandeling voor het kind veilig te stellen waar de ouders geen toestemming voor geven.
Brochures: Als de Raad u om informatie vraagt Brochure | 27-07-2009
Als uw kind onder toezicht gesteld wordt Brochure | 13-10-2009 Gesloten jeugdzorg. Informatiebrochure Brochure | 10-04-2008 | VWS Wet op de jeugdzorg Brochure | 26-01-2005 | VWS
Als opvoeden een probleem is Brochure | 08-10-2009
|
|
echtscheiding |
|
alimentatie |
|
kinderen |
|
divers |
|
actualiteiten |
|
|